Vincent Van Gogh - Oliviers à Montmajour

(Zundert (NL), 1853 - Auvers-sur-Oise, 1890)
Juli 1888
Bruine en zwarte inkt met rietpen op velijn - 48 x 60 cm

Vincent Van Gogh - Oliviers à Montmajour

"[…] Ik kom thuis na een dag op Montmajour […] . Als het groter was geweest, had het doen denken aan het Paradou van Zola, lange rietstengels, wijnranken, klimop, vijgenbomen, olijfbomen, granaatappelbomen met vettige bloemen van het felste oranje, honderdjarige cypressen, essen en wilgen, steeneiken […] ik heb er nog een grote tekening van meegebracht" (Vincent Van Gogh, brief aan zijn broer Théo, juli 1888.)

Toen Vincent van Gogh in juli 1888 in Arles verbleef, maakte hij op het Provençaalse terrein van de oude abdij van Montmajour een reeks van zes tekeningen van groot formaat, waaronder Olijfbomen in Montmajour,  dat door kenners wordt beschouwd als een hoogtepunt van zijn getekende oeuvre.

De kunstenaar werkte in de open lucht, tussen de bomen en midden in de natuur, waarmee hij een bijzonder intieme en expressieve dialoog aanging.

Met een gesneden rietpen (het instrument dat hij toen boven de gewone pen verkoos) zette Van Gogh op virtuoze wijze een oneindig netwerk van kleine arceringen op papier, die de compositie haar ritme geven.

In Olijfbomen bij Montmajour  verbeeldt Van Gogh de razernij van de mistral : het geknetter van droog gras, het trillen van de dennen, het golven van het landschap alsof het water is, en de lijnen van het perspectief die wegvluchten naar de horizon. Uit deze wervelende natuur ontstaat paradoxaal genoeg een helderheid die sterk aan Japan doet denken. Van Gogh was gefascineerd door de kleurcontrasten en gewaagde perspectieven van Japanse prenten en stileerde zijn werk gaandeweg om een “ware indruk van de eenvoud van de natuur” te kunnen geven.