Pieter Brueghel Le Jeune - Paysage d’hiver ou Parabole de l’oiseleur

(Brussel, 1564 - Antwerpen, 1638)
Olie op hout - 33 x 57 cm

Pieter Brueghel Le Jeune - Paysage d’hiver ou Parabole de l’oiseleur

Deze compositie was vernieuwend voor die tijd, omdat niet het hoofdpersonage, maar het volledige landschap en de verhalende scène het eigenlijke onderwerp vormt. Ze is emblematisch voor de Nederlandse landschapstraditie van de 16e en 17e eeuw en werd bedacht door Pieter Brueghel de Oude en werd vervolgens veelvuldig gekopieerd, onder meer door zijn zoon Pieter Brueghel II, bijgenaamd de Jonge of van de Hel.

Dit tafereel, dat op het eerste gezicht de zorgeloosheid van het leven uitbeeldt, is in werkelijkheid een parabel, namelijk van de Onvoorzichtigheid, een metafoor voor de kwetsbaarheid van ons bestaan. Brueghel, die in zijn oeuvre een verfijnde praktijk van dubbele en verborgen beelden ontwikkelde, heeft bewust een gecodeerde, allegorische betekenis verwerkt in de scène die het eenvoudige en vreedzame plezier van het schaatsen op rivieren afbeeldt.

Zo symboliseert het schaatsen op zich reeds het “gladde” en onzekere karakter van het menselijk lot. Details zoals een wak op de voorgrond wekken de indruk dat het ijs elk moment kan breken en zo het “winterplezier” plots tot een einde kan brengen. De voortdurende dreiging voor de mens wordt bovendien in verband gebracht met een element rechtsonder in het paneel : een houten val die op het punt staat dicht te klappen op de vogels. In de 16e eeuw werd deze vogelvangersval vaak geïnterpreteerd als een beeld van “de duivel die op zielen loert” of als symbool voor het Laatste Oordeel, dat “onverwachts over alle mensen op aarde zal neerkomen”.